ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3120

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4673 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 5 Zorgindicatiebesluit
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging zorgindicatiebesluit wegens onbevoegde aanvraag door arts GGZ-centrum

Appellant verzocht om zorgindicatie op basis van een aanvraag die was ingediend door een arts verbonden aan het GGZ-centrum. CIZ wees de aanvraag toe, maar verklaarde later het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellant dat de aanvraag onrechtmatig was omdat deze niet door hemzelf of een gemachtigde was ingediend, maar door een arts zonder overleg met zijn wettelijk gemachtigde dochter.

De Raad oordeelde dat op grond van het Zorgindicatiebesluit en de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag door de belanghebbende zelf of diens vertegenwoordiger dient te worden gedaan. De Raad stelde vast dat de arts niet bevoegd was om namens appellant de aanvraag in te dienen en dat CIZ zich van deze bevoegdheid had moeten vergewissen. Tevens had CIZ contact moeten zoeken met de dochter die als gemachtigde optrad.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Omdat appellant inmiddels gebruik heeft gemaakt van de indicatie en deze niet ontoereikend bleek, liet de Raad de rechtsgevolgen van het besluit intact. Tevens werd CIZ veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van 2 juli 2007 wordt vernietigd wegens onbevoegde aanvraag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat de indicatie adequaat was.

Uitspraak

08/4673 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[Appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2008, 07/668 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellant
en
de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ)
Het geding is behandeld op de zitting van 2 maart 2011. Appellant is verschenen en bijgestaan door zijn dochter [naam dochter] CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Baggerman en mr. L.M.R. Kater.
1. Op 20 april 2006 heeft J.H. van der Sluis, als arts verbonden aan het GGZ-centrum de Riethorst te Ede, CIZ verzocht appellant te indiceren voor zorg. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft CIZ appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten over de periode van 17 mei 2006 tot en 17 mei 2011 geïndiceerd voor:-
ondersteunende begeleiding algemeen, voor 10 tot 12,9 uur per week (klasse 5);-
persoonlijke verzorging, voor 13 tot 15,9 uur per week (klasse 6);
verpleging, voor 2 tot 3,9 uur per week (klasse 2);-
behandeling-verblijf;
verblijf langdurig, voor zeven etmalen per week.
2. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juli 2007 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat uit het Zorgindicatiebesluit volgt dat CIZ de aanvraag van Van der Sluijs in de gegeven omstandigheden niet in behandeling had mogen nemen; in ieder geval niet zonder overleg met zijn dochter die hij verschillende malen schriftelijk heeft gemachtigd om zijn belangen in het kader van de zorgverlening te behartigen. Artikel 5, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit luidt: “Indien de aanvraag door een vertegenwoordiger van de zorgvrager wordt gedaan, wordt nagegaan wat de reden daarvan is en wordt die reden schriftelijk vermeld.”
4. In de nota van toelichting op het Zorgindicatiebesluit (Stb.1997, 447) is hierover het volgende opgenomen:“Een aanvraag kan worden ingediend door de persoon op wie die aanvraag betrekking heeft of door een derde die daartoe door de zorgvrager gemachtigd is dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger is. Dat laatste zal voorkomen, indien de aanvrager niet in staat is zelf de aanvraag in te dienen. Ondertekent de derde de aanvraag, dan zullen op grond van het tweede lid de redenen waarom de aanvrager niet zelf tekent, moeten worden vermeld. Wil voorkomen worden dat personen voor een onderzoek tegen hun wil benaderd worden door of namens het indicatieorgaan, dan zal nagegaan zal moeten worden of de derde inderdaad bevoegd is de aanvraag te ondertekenen.”
5. De Raad stelt vast dat uit het Zorgindicatiebesluit, alsook uit het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), volgt dat een aanvraag door de belanghebbende of diens vertegenwoordiger wordt gedaan. Het is de Raad niet gebleken dat Van der Sluijs bevoegd was de aanvraag namens appellant in te dienen. Gelet op artikel 5, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit had het in ieder geval op de weg van CIZ gelegen zich van diens bevoegdheid nader te vergewissen. Indien - zoals Van der Sluijs stelt - appellant buiten staat was zijn belangen te behartigen had het in de gegeven omstandigheden in ieder geval op de weg van CIZ gelegen bij de behandeling van de aanvraag van Van der Sluijs in overleg te treden met de dochter van appellant. Gelet op de gedingstukken trad de dochter van appellant in diens relatie met CIZ reeds geruime tijd op als tussenpersoon. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 2 juli 2007 wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 5, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Gelet op het feit dat appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat - inmiddels - gebruik is gemaakt van de indicatie en deze in zijn geheel genomen niet ontoereikend is gebleken, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.
De beslissing luidt als volgt:
- Vernietigt de aangevallen uitspraak;
- Verklaart het beroep gegrond;
- Vernietigt het besluit van 2 juli 2007;
- De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 2 juli 2007 blijven geheel in stand;
- CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep
tot een bedrag van in totaal € 689,44;
- CIZ dient het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.J.M. Crombach.
HD