ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-15 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening wegens ontbreken nieuw feit of omstandigheid

Verzoeker heeft bij brief van 31 oktober 2009 verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 2008. Het verzoek tot herziening werd behandeld op 3 maart 2011, waarbij verzoeker niet aanwezig was. De minister van Defensie werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.

De Raad overweegt dat het rechtsmiddel van herziening slechts openstaat indien sprake is van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid die voorheen niet bekend was en die, indien wel bekend, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Verzoeker heeft onder meer gewezen op chaotische toestanden bij postkantoren en krantenknipsels overlegd, maar deze feiten waren reeds bekend en voldoen niet aan de criteria voor herziening.

De Raad concludeert dat verzoeker met het verzoek een hernieuwde discussie wil voeren over de zaak en de uitspraak, hetgeen niet mogelijk is via herziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De beslissing is uitgesproken op 14 april 2011 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.

Uitspraak

10/15 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van :
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (Zuid-Afrika), (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 2008, 07/3679 MPW,
in het geding tussen
verzoeker
en
de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister),
Datum uitspraak: 14 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij brief van 31 oktober 2009 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 november 2008, 07/3679 MPW.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Daar is verzoeker, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
1.2. Bij uitspraak van 10 december 2007, 07/3679 MPW, heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de door de Raad op 15 januari 2004, 02/6515 MPW gegeven uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht heeft de Raad het door verzoeker gedane verzet tegen die uitspraak van 10 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voorgeschreven verzetstermijn.
2. Bij zijn verzoek om herziening heeft verzoeker onder meer gewezen op de chaotische toestanden bij de postkantoren. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft verzoeker krantenknipsels bijgevoegd.
3. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
3.1. In hetgeen verzoeker bij zijn verzoek om herziening heeft aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van Pro de Awb omschreven vereisten. De Raad moet dan ook vaststellen dat door verzoeker met het onderhavige verzoek is beoogd op basis van reeds bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.
4. Voor zover verzoeker met het onderhavige verzoek ook heeft bedoeld de uitspraak van 15 januari 2004, 02/6515 MPW, te herzien stelt de Raad vast dat ook dit (herhaalde) verzoek geen nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid bevat. De Raad concludeert dan ook dat verzoeker wederom op al bekende argumenten een hernieuwde discussie wenst te voeren over de betreffende zaak en over de juistheid van die uitspraak. De Raad vermeldt nogmaals dat dit niet mogelijk is met het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening.
5. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD