ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. Van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde Ziektewet-uitkering na geschiktheidsverklaring
Appellante ontving vanaf 10 augustus 2005 een Ziektewet-uitkering. Op 27 juni 2006 verklaarde een verzekeringsarts haar per 3 juli 2006 weer geschikt voor arbeid, waarna het UWV besloot de uitkering te beëindigen. Desondanks werd over de periode van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007 onverschuldigd ZW-uitkering betaald.
Het UWV vorderde deze bedragen terug, wat door appellante werd bestreden met een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van schending van deze beginselen en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Er was geen ondubbelzinnige schriftelijke mededeling die appellante op grond van het rechtszekerheidsbeginsel kon vertrouwen. De verzekeringsarts had haar tijdig geïnformeerd over haar geschiktheid, en haar nieuwe ziekmelding per 4 juli 2006 bevestigde dat zij wist dat zij geen recht meer had op uitkering.
Daarom is de terugvordering van € 6.852,32 terecht en slaagt het hoger beroep niet. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering bevestigd.