ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3942

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4502 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde Ziektewet-uitkering na geschiktheidsverklaring

Appellante ontving vanaf 10 augustus 2005 een Ziektewet-uitkering. Op 27 juni 2006 verklaarde een verzekeringsarts haar per 3 juli 2006 weer geschikt voor arbeid, waarna het UWV besloot de uitkering te beëindigen. Desondanks werd over de periode van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007 onverschuldigd ZW-uitkering betaald.

Het UWV vorderde deze bedragen terug, wat door appellante werd bestreden met een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van schending van deze beginselen en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Er was geen ondubbelzinnige schriftelijke mededeling die appellante op grond van het rechtszekerheidsbeginsel kon vertrouwen. De verzekeringsarts had haar tijdig geïnformeerd over haar geschiktheid, en haar nieuwe ziekmelding per 4 juli 2006 bevestigde dat zij wist dat zij geen recht meer had op uitkering.

Daarom is de terugvordering van € 6.852,32 terecht en slaagt het hoger beroep niet. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/4502 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 juni 2010, 10/125 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellante is met bijstand van mr. Visser verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante is na een ziekmelding met ingang van 10 augustus 2005 een uitkering ingevolge van de Ziektewet (ZW) verstrekt. Op 27 juni 2006 is appellante door de verzekeringsarts per 3 juli 2006 niet langer ongeschikt bevonden voor haar arbeid. Bij besluit van 30 juni 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij derhalve met ingang van 3 juli 2006 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het Uwv de over de periode van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007 aan appellante onverschuldigd betaalde ZW-uitkering tot een bedrag van € 6.852,32 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 11 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen beide voornoemde besluiten ongegrond verklaard.
1.2. Bij uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2009, 08/97, is het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 inzake de beëindiging van ziekengeld ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts het beroep voor zover dit zag op de terugvordering gegrond verklaard en heeft de vraag of de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand konden worden gelaten onbeantwoord gelaten. Niet duidelijk was immers of een nieuwe ziekmelding van appellante per 4 juli 2006 door het Uwv was geaccepteerd en of over de gehele terugvorderingsperiode onverschuldigd was betaald. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv na nader onderzoek bij besluit van 11 januari 2010 het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2007 ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld.
2. In de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, heeft de rechtbank overwogen dat van schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is en dat daarnaast niet is gebleken van dringende redenen, op grond waarvan het Uwv van terugvordering had dienen af te zien
3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
3.1. Gelet op voormelde uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2009 staat in rechte vast dat appellante van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007 niet ongeschikt was voor haar arbeid en dat zij geen recht had op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Niet in geding is dat het Uwv over die periode aan appellante onverschuldigd ziekengeld heeft betaald. Evenmin is de hoogte van het terugvorderingsbedrag in geding. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het Uwv heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel en dringende redenen had moeten aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
3.2. De Raad wijst er op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer zijn uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT1551, een beroep op schending van het rechtszekerheidsbeginsel slechts doel kan treffen in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren of dat de onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had behoren te zijn onderkend.
3.3. De Raad ziet in het licht van dit toetsingskader in de onderhavige zaak geen aanknopingspunten om het standpunt van appellante te volgen dat sprake is van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. De stelling van appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat zij recht had op een uitkering ingevolge de ZW van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007, welke stelling door de Raad wordt opgevat als een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel, wordt door de Raad niet onderschreven. Appellante kan zich niet beroepen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het Uwv als bedoeld onder 3.2. De Raad stelt voorts met de rechtbank vast dat appellante door de verzekeringsarts ten tijde van het huisbezoek vroegtijdig kenbaar is gemaakt, dat hij haar per 3 juli 2006 weer geschikt achtte voor haar arbeid en dat zij niet langer recht had op een uitkering ingevolge de ZW. Dat appelante zich nadien per 4 juli 2006 (opnieuw) heeft ziekgemeld onderschrijft eens te meer dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij per 3 juli 2006 geen recht meer had op ziekengeld. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.
3.4. Tot slot is de Raad met de rechtbank, met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hieromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, ook niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van (verdere) terugvordering had moeten afzien.
3.5. Gelet op hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft besloten om tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag tot een bedrag van € 6.852,32 over te gaan.
3.6. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III.BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. Van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) Ch. Van Voorst.
(get.) M. Mostert.
NW