ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening na te betalen bedrag met resterende fraudeschuld WWB
In deze zaak stond de vraag centraal of het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede terecht het na te betalen bedrag aan bijstand volledig mocht verrekenen met de resterende fraudeschuld van appellant. Appellant had gedurende een jaar geen uitkering ontvangen en had leningen afgesloten om in zijn kosten van bestaan te voorzien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beleid van het College om fraudeschulden zo snel mogelijk af te lossen niet kennelijk onredelijk is. De omstandigheid dat appellant schulden is aangegaan, vormt geen bijzondere reden om van dit beleid af te wijken. Het College hoeft zijn belangen als crediteur van de fraudevordering niet achter te stellen bij die van andere schuldeisers, mede omdat de vordering van het College op grond van artikel 60, vijfde lid, van de WWB bevoorrecht is.
Het hoger beroep van appellant faalt daarom en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Arnhem wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verrekening van het na te betalen bedrag met de fraudeschuld wordt bevestigd.