ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling immateriële schadevergoeding na onrechtmatige besluiten UWV
Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV omtrent terugvordering van een WW-uitkering en de toekenning van een Ziektewet-uitkering. De rechtbank had de besluiten vernietigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van €1.000 wegens onheus bejegenen en nalaten van excuses.
Appellante vorderde in hoger beroep een hogere immateriële schadevergoeding van €7.500. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat voor vergoeding van immateriële schade aansluiting moet worden gezocht bij artikel 6:106 BW Pro, dat een hoge drempel stelt voor vergoeding van geestelijk letsel als aantasting van de persoon.
De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij zodanig geestelijk leed had geleden dat sprake was van een aantasting in haar persoon. Ook was geen aantasting van haar eer of goede naam vastgesteld. De reeds toegekende vergoeding van €1.000 was passend.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; geen hogere immateriële schadevergoeding toegekend.