AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging buitenbehandelingstelling WW-aanvraag wegens ontbreken loonstrook oktober 2008
Appellant vroeg op 27 oktober 2008 een WW-uitkering aan na beëindiging van zijn werkzaamheden. Het UWV verzocht om aanvullende stukken, waaronder loonstroken van december 2007 tot en met oktober 2008. Hoewel appellant loonstroken tot september 2008 overhandigde, ontbrak de loonstrook van oktober 2008.
Het UWV stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 AwbPro, omdat de gevraagde loonstrook ontbrak en appellant niet tijdig de gevraagde stukken aanleverde. Appellant maakte bezwaar, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant geen geldige reden had om de loonstrook over oktober niet te kunnen overleggen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in oktober 2008 niet had gewerkt en daarom geen loonstrook had ontvangen. De Raad concludeerde echter dat voor een juiste beoordeling van de aanvraag inzicht in de laatste salarisbetaling noodzakelijk is en dat de werkgever verplicht is een loonstrook te verstrekken. De Raad oordeelde dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WW-aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het ontbreken van de loonstrook over oktober 2008.
Uitspraak
10/3744 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2010, 09/1552 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft op 27 oktober 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd welk recht zou zijn ontstaan uit het einde van zijn werkzaamheden voor [T.D.], handelend onder de naam [naam werkgever] (werkgever). Bij brief van 3 november 2008 heeft het Uwv om een aantal nadere gegevens van appellant verzocht, waaronder de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever, de ontslagbrief van de werkgever en alle salarisstroken van december 2007 tot en met oktober 2008. Appellant heeft naar aanleiding daarvan een aantal stukken overgelegd, waaronder salarisstroken van december 2007 tot en met september 2008.
1.2. Bij brief van 13 november 2008 heeft het Uwv aangegeven dat de aanvraag niet volledig was omdat de werkgeversverklaring ontbrak. Appellant is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen een week in te brengen. Daarbij is appellant er op gewezen dat indien de gegevens niet tijdig worden ontvangen, het Uwv gebruik zal maken van de in artikel 4:5 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid de aanvraag niet in behandeling te nemen.
1.3. Bij brief van 25 november 2008 heeft het Uwv appellant nogmaals verzocht om binnen een week de reeds gevraagde werkgeversverklaring in te brengen. Wederom is daarbij gewezen op de in artikel 4:5 vanPro de Awb neergelegde bevoegdheid.
1.4. Op 8 december 2008 heeft appellant een door de werkgever ingevulde werkgeversverklaring ingezonden.
1.5. Bij besluit van 17 december 2008 heeft het Uwv de aanvraag om een WW-uitkering niet verder in behandeling genomen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar het ontbreken van salarisstroken van oktober en november 2008.
2.1. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 december 2008. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft het Uwv bij brief van 3 februari 2009 toegelicht om welke reden werd verzocht om de loonstrook over oktober 2008 - en niet langer ook die over november 2008 - en overige stukken met betrekking tot de beëindiging van de werkzaamheden voor de werkgever. Tevens is appellant in de gelegenheid gesteld die stukken op een termijn van veertien dagen in te brengen.
2.2. Bij besluit van 17 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de brief van 3 februari 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat de gevraagde loonstrook over de maand oktober 2008 niet is ingebracht en dat evenmin opheldering is gegeven omtrent de onduidelijkheid met betrekking tot de beëindiging van de werkzaamheden voor de werkgever.
3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de salarisspecificatie over oktober 2008 noodzakelijk was voor de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de stelling van appellant dat hij niet over de salarisstrook beschikte omdat hij in de maand oktober niet had gewerkt, niet strookte met zijn aanvraag waarop hij had aangegeven dat hij op 2 oktober 2008 voor het laatst had gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen redenen naar voren gebracht waarom hij redelijkerwijs niet zou kunnen beschikken over een salarisspecificatie over de maand oktober 2008.
4. Ter onderbouwing van zijn gronden in hoger beroep heeft appellant verwezen naar hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd. Appellant herhaalt dat hij in de maand oktober 2008 niet heeft gewerkt, zodat het hem niet valt aan te rekenen dat hij geen specificatie heeft gekregen.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
5.2. Appellant heeft salarisspecificaties ingebracht over de periode van december 2007 tot en met september 2008. Tevens heeft hij een ongedateerde overeenkomst met de werkgever ingebracht, waarin in de aanhef is opgenomen dat het betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, oproepcontract met voorovereenkomst. Uit die overeenkomst volgt dat appellant met ingang van 1 juni 2008 in dienst is getreden van de werkgever en dat de overeenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van 12 maanden. Uit de gegevens die het Uwv van de fiscus heeft ontvangen volgt dat appellant slechts tot en met mei 2008 salaris van de werkgever heeft ontvangen. Op zijn aanvraag om een WW-uitkering vermeldt appellant dat hij gewerkt heeft tot en met 2 oktober 2008. De werkgever heeft in de werkgeversverklaring aangegeven dat appellant een dienstverband voor bepaalde tijd had tot 1 juni 2008, dat hij tot en met 28 oktober 2008 heeft gewerkt, en dat het ontslag mondeling is aangezegd op 28 oktober 2008.
5.3. Indien zou moeten worden afgegaan op de gegevens van de belastingdienst zou de WW-aanvraag betrekking hebben op de situatie per 31 mei 2008 omdat op die datum de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd en een laatste salarisbetaling zou hebben plaatsgevonden. Uit de aanvraag volgt echter dat deze betrekking heeft op de in oktober 2008 ontstane situatie. De gegevens voor de beoordeling van de aanvraag per dat moment zijn echter onvolledig. Zoals Uwv terecht heeft gesteld, is voor het beoordelen van de aanvraag en het vaststellen van het recht op WW-uitkering inzicht noodzakelijk in de laatste salarisbetaling, maar ook op de periode waarop deze betrekking had, op de aard van het dienstverband en op de wijze waarop daaraan een einde is gekomen. Het Uwv heeft appellant daar ook op gewezen in de brief van 3 februari 2009. Het lag daarbij op de weg van appellant om de door het Uwv gevraagde loonstrook in te brengen, nu de werkgever volgens artikel 7:626 vanPro het Burgerlijk Wetboek verplicht is de werknemer een loonstrook te verstrekken.
5.4. Uit hetgeen is overwogen in 1.1 tot en met 2.1, 5.2 en 5.3 volgt dat het Uwv op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd was de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van appellant te handhaven. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
5.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2011.