ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering ziekengeld wegens onterecht aangenomen ontslag
Appellante was sinds 1999 werkzaam als administratief medewerkster en werkte aanvankelijk 19,5 uur per week. Na ziekmelding in 2004 werkte zij vanaf juni 2005 13,65 uur per week. De werkgever vroeg in mei 2005 toestemming aan het CWI voor ontslag met een nieuwe arbeidsovereenkomst van 12,5 uur per week. Het CWI verleende deze toestemming in juni 2005.
Het UWV weigerde in februari 2009 het ziekengeld omdat appellante volgens hen onterecht had ingestemd met ontslag, waardoor het Algemeen Werkloosheidsfonds benadeeld zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het opzegverbod van artikel 7:670 BW Pro van toepassing was en dat zij de nietigheid van het ontslag had kunnen inroepen.
In hoger beroep stelde appellante dat zij per 1 september 2005 slechts een vermindering van arbeidsuren had ondergaan en dat het dienstverband doorliep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geen sprake was van opzegging maar van vermindering van uren, waardoor het opzegverbod niet van toepassing was. Het UWV had ten onrechte het ziekengeld geweigerd. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Van Voorst en leden Hoogenboom en Goorden op 11 mei 2011.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van ziekengeld wordt vernietigd omdat geen sprake was van opzegging maar van vermindering van arbeidsuren.