ECLI:NL:CRVB:2012:BX4614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering en overschrijding redelijke termijn door UWV
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van UWV om haar Ziektewet-uitkering per 1 september 2005 te beëindigen. De Raad van 11 mei 2011 stelde vast dat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd, maar voortgezet werd met een vermindering van uren naar 12,5 per week. Hierdoor kon appellante geen aanspraak maken op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat UWV terecht de ZW-uitkering had geweigerd. In hoger beroep verzocht appellante vernietiging van deze uitspraak en stelde zij aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, die meer dan vier jaar duurde.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellante geen recht had op ziekengeld. Tevens oordeelde de Raad dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden met ruim twee jaar en vier maanden, wat geheel aan UWV kon worden toegerekend. Daarom werd UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.500,- aan appellante. Een veroordeling in proceskosten werd niet gegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld en veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.