ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op eigen verzoek
Appellanten namen op 1 april 2009 ontslag uit hun dienstbetrekkingen vanwege een verhuizing van Groningen naar Zeeland. Het UWV weigerde hen WW-uitkeringen toe te kennen omdat zij verwijtbaar werkloos waren geworden door ontslag op eigen verzoek zonder dat er sprake was van een dringende noodzaak om te verhuizen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat geen toezegging was gedaan dat zij zonder nadelige gevolgen ontslag konden nemen. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat een medewerker van het UWV een toezegging had gedaan en dat zij gediscrimineerd werden, waardoor zij gedwongen waren te verhuizen.
De Raad stelde vast dat er geen bewijs was voor een toezegging van het UWV en dat de medewerkster waarschijnlijk slechts algemene informatie had verstrekt. Tevens concludeerde de Raad dat appellanten geen feiten hadden gesteld die de ernst van de vermeende discriminatie of de noodzaak van de verhuizing onderbouwden. De werkloosheid werd daarom als verwijtbaar aangemerkt, wat leidt tot blijvende weigering van de WW-uitkering.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees de hoger beroepen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van WW-uitkeringen wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op eigen verzoek.