ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering onterecht wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontvangt sinds 1987 bijstand als alleenstaande ouder. Het College van burgemeester en wethouders van Roermond trok de bijstand in omdat zij meende dat betrokkene en de vader van haar kinderen een gezamenlijke huishouding voerden. Dit was gebaseerd op onder meer het inschrijvingsadres van de vader, poststukken en huisbezoeken.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking. Het College ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Er ontbraken belangrijke bewijsmiddelen zoals verklaringen van de vader, getuigenverklaringen en een buurtonderzoek.
De Raad benadrukte dat het aan het College is om te bewijzen dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De enkele aanwezigheid van het adres van betrokkene op loonstroken en poststukken volstaat niet. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen op bezwaar, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding wordt onterecht geacht en het besluit wordt vernietigd.