ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering IOAZ-uitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving een IOAZ-uitkering vanaf 7 augustus 2000. Hij gaf aan beperkt werkzaam te zijn voor twee bedrijven, [bedrijf 1] en [bedrijf 2], maar sociale recherche constateerde dat hij substantieel meer uren werkte dan opgegeven. Dit leidde tot herziening en intrekking van de uitkering over de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008.
De rechtbank oordeelde dat voor de periode vanaf 1 januari 2005 voldoende bewijs was voor schending van de inlichtingenverplichting. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Raad bevestigde dat aanwezigheid tijdens reguliere uren op de werkplek wijst op daadwerkelijke arbeid en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij minder werkte dan vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het College terecht de uitkering had herzien en ingetrokken vanwege de schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd geoordeeld dat appellant ten onrechte geen vergoeding van kosten in de bezwaarfase had ontvangen, waardoor het besluit op dat punt werd vernietigd en het College werd veroordeeld tot vergoeding van kosten.
De uitspraak bevestigt het belang van volledige openheid over werkzaamheden bij het recht op IOAZ-uitkering en benadrukt dat het niet nakomen hiervan leidt tot intrekking en terugvordering van uitkeringen. Tevens onderstreept de Raad het recht op vergoeding van kosten bij gedeeltelijke gegrondverklaring van bezwaar.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de IOAZ-uitkering worden bevestigd en het College wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten in de bezwaarfase.