ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Een werkneemster, werkzaam als medewerker financiering/officemanager, meldde zich op 1 mei 2006 ziek vanwege chronische vermoeidheidsklachten. Na een aanvraag om een WIA-uitkering verlengde het UWV het recht op loondoorbetaling met 52 weken, een zogenaamde loonsanctie, omdat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren.
De werkgever maakte bezwaar tegen deze loonsanctie, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever eveneens ongegrond. In hoger beroep voerde de werkgever aan dat de functionele mogelijkhedenlijst van de bedrijfsarts bewust was opgesteld om een hoge mate van arbeidsongeschiktheid te creëren, waardoor re-integratie-inspanningen niet van de werkgever konden worden verlangd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de re-integratie, inclusief de werkzaamheden van ingeschakelde derden. De stukken boden voldoende steun voor het oordeel dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren. Het feit dat de werkneemster later een WGA-uitkering ontving, betekent niet dat zij in de relevante periode niet tot re-integratie in staat was. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en handhaafde de loonsanctie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever.