ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens verwijtbaar ontslag zonder aansluitend werk
Appellant nam op 16 juli 2007 ontslag bij zijn werkgever en meldde zich op 23 juli 2007 bij het CWI als werkzoekende. Hoewel hij een werkintake-afspraak had op 25 juli 2007, verscheen hij niet zonder bericht van verhindering. Pas op 10 augustus 2007 meldde hij zich opnieuw bij het CWI en vroeg op 23 oktober 2007 bijstand aan met terugwerkende kracht tot 23 juli 2007.
Het College kende bijstand toe vanaf 10 augustus 2007 en verlaagde deze met 100% gedurende één maand vanwege het ontslag op eigen verzoek zonder verzekerd te zijn van aansluitend werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant de aanvraag niet spoedig na melding had ingediend en dat er geen reden was om de verwijtbaarheid te verminderen, ondanks zijn stelling van een onhoudbare werksituatie en een niet doorgegaan vooruitzicht op werk via een uitzendbureau. Hierdoor was sprake van een voorzienbaar en toe te rekenen werkloosheidsrisico.
De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de eerdere uitspraak volledig.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand wordt bevestigd wegens verwijtbaar ontslag zonder verzekerd aansluitend werk.