ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot
Appellante ontving sinds november 2006 bijstand als alleenstaande ouder. Na een melding dat zij samenwoonde met haar ex-echtgenoot en vader van haar jongste kinderen, stelde de gemeente Zoetermeer een onderzoek in. Dit leidde tot een besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 augustus 2007 wegens gezamenlijke huishouding.
Appellante diende een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen omdat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden. De voorzieningenrechter verklaarde haar beroepen ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ex-echtgenoot niet zijn hoofdverblijf had in haar woning, maar regelmatig aanwezig was vanwege zorg voor de kinderen.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en haar ex-echtgenoot samen rechtvaardigen dat hij vanaf 1 augustus 2007 zijn hoofdverblijf bij appellante had. De Raad achtte de door appellante ingebrachte verklaringen van andere bewoners niet geloofwaardig en vond dat de motieven voor het verblijf niet relevant zijn voor het oordeel over gezamenlijke huishouding.
Ook stelde de Raad dat de nieuwe aanvraag van 11 juli 2008 geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid vormde om terug te komen op het intrekkingsbesluit. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep tegen de afwijzing van de nieuwe aanvraag wordt ongegrond verklaard.