ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag huishoudelijke hulp wegens gebruikelijke zorg door huisgenoten
Appellante vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) huishoudelijke hulp aan, maar het College van burgemeester en wethouders van Utrecht wees dit af omdat haar echtgenoot en meerderjarige zoon in staat zijn de huishoudelijke taken over te nemen. Dit standpunt werd ondersteund door adviezen van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij geen tegenbewijs leverde tegen de deskundigenadviezen. In hoger beroep stelde appellante dat haar echtgenoot en zoon wegens medische beperkingen niet in staat zijn de taken over te nemen en dat zij daarom een beroep kan doen op de hardheidsclausule van de Verordening.
De Raad oordeelde dat het College terecht de adviezen van het CIZ als basis gebruikte, waarin werd vastgesteld dat echtgenoot en zoon gezamenlijk, rekening houdend met hun beperkingen, de huishoudelijke taken kunnen uitvoeren. De enkele stelling van appellante dat derden van buiten de leefeenheid moeten worden ingeschakeld, vormt geen bijzonder geval dat toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag huishoudelijke hulp wordt afgewezen omdat gebruikelijke zorg van huisgenoten kan worden verwacht en geen bijzonder geval is aangetoond.