ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over toeslag één-oudergezin bij duurzaam gescheiden leven
Betrokkene ontving sinds 2001 studiefinanciering en vanaf 2005 een toeslag voor een één-oudergezin. Appellant herzag deze toeslag op grond van het huwelijk van betrokkene en stelde dat zij niet duurzaam gescheiden leefde. De rechtbank oordeelde dat betrokkene wel duurzaam gescheiden leefde omdat haar echtgenoot geen verblijfstitel had en samenwonen niet mogelijk was.
In hoger beroep stelde appellant dat samenwonen in het buitenland wel mogelijk was en dat de rechtbank ten onrechte een daadwerkelijk beletsel had aangenomen. De Raad stelde vast dat er onvoldoende feiten waren die ondubbelzinnig aantonen dat vanaf het huwelijk geen intentie tot samenleven bestond, maar erkende dat betrokkene stelde nooit samen te hebben gewoond en sporadisch contact had.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. Appellant wordt opgedragen binnen acht weken het besluit te herstellen met een deugdelijke motivering over de periode van duurzaam gescheiden leven en de feitelijke situatie tussen betrokkene en haar echtgenoot.
Uitkomst: Het besluit van 3 februari 2010 wordt vernietigd en appellant wordt opgedragen het gebrek te herstellen met een deugdelijke motivering.