ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging en intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1994 bijstand en werd in 2007 onderzocht in het kader van het Pandenproject, waarbij huisbezoeken plaatsvonden. De onderzoeksbevindingen wezen op een onduidelijke woonsituatie en mogelijke onderverhuur. Het College besloot daarop de bijstand met ingang van 1 december 2007 te beëindigen en de bijstand over de periode van 14 november tot 1 december 2007 in te trekken, met terugvordering van kosten.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en betwistte dat haar woonsituatie onduidelijk was en dat zij haar woning had onderverhuurd. De Raad oordeelde echter dat het College op goede gronden aannam dat de woonsituatie niet overeenkwam met de opgave van appellante.
De Raad hechtte vooral waarde aan de rapportages van huisbezoeken waarin een onordelijke woning werd aangetroffen, afwijkingen tussen situatieschets en feitelijke inrichting, het ontbreken van een slaapkamer en recente administratie, en verklaringen van buren dat appellante de woning niet als hoofdverblijf gebruikte. Appellante kon deze bevindingen niet met controleerbare stukken weerleggen.
De Raad concludeerde dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste informatie te verstrekken, waardoor het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. De intrekking en beëindiging van de bijstand door het College waren dan ook terecht. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging en intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.