ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- O.L.H.W.I. Korte
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens verblijf en uitkering in Engeland
Appellant ontving sinds 1994 met onderbrekingen bijstand op grond van de WWB. Na vertrek van zijn partner en kinderen naar Groot-Brittannië ontstond het vermoeden dat appellant zelf ook in Engeland verbleef en daar een uitkering ontving. Onderzoek door het IBF bevestigde dat appellant sinds september 2004 in Engeland woonde en daar samen met zijn partner een uitkering ontving.
Het College beëindigde de bijstand en vorderde de ontvangen bijstand terug over de periode dat appellant in Engeland verbleef. De rechtbank vernietigde een deel van de terugvordering wegens onvoldoende bewijs dat appellant niet in Nederland verbleef gedurende de gehele periode. Het College paste daarop het terugvorderingsbedrag aan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het aangepaste besluit ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat een deel van de Engelse uitkering aan zijn partner was uitgekeerd. Appellant stelde in hoger beroep dat het College de bewijslast draagt voor het gehele bedrag, maar de Raad oordeelde dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij niet over de gehele uitkering beschikte.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De enkele verwijzing naar overheidsinformatie over het zelfstandige recht van de partner is onvoldoende om de terugvordering te weerleggen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de bijstandsuitkering bevestigd.