ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op eigen verzoek
Appellante trad op 26 maart 2008 in dienst bij een werkgever en nam op 1 september 2009 ontslag. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Appellante stelde dat zij ontslag nam om ziekte te voorkomen vanwege een slechte werksfeer en conflicten met een collega. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat zij niet alles had gedaan om werkloosheid te voorkomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante zich niet had ziekgemeld of contact had gehad met een arts voorafgaand aan het ontslag, waardoor haar vrees voor ziekte onvoldoende was om ontslag op medische gronden te rechtvaardigen. Ook had zij slechts eenmaal haar problemen met de collega besproken met de directeur en daarna geen verdere stappen ondernomen. De Raad stelde vast dat er geen sprake was van een onhoudbare situatie.
Hierdoor was het ontslag verwijtbaar en kon de werkloosheid appellante in overwegende mate worden toegerekend. Matiging van de maatregel was niet aan de orde. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag zonder medische noodzaak.