ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van fictieve opzegtermijn bij beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden
Appellante was sinds 1985 in dienst bij haar werkgever en sloot in 2009 een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigde per 1 februari 2010, met een beëindigingsvergoeding. De werkgever tekende de overeenkomst op 29 september 2009, appellante op 7 oktober 2009.
Appellante stelde dat de schriftelijke overeenstemming al in september 2009 was bereikt, waardoor de fictieve opzegtermijn eerder zou zijn geëindigd. Het UWV weigerde echter een WW-uitkering over februari 2010 toe te kennen, omdat de fictieve opzegtermijn pas vanaf 7 oktober 2009 zou lopen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de e-mail van appellante op 28 september 2009 geen aanbod tot overeenstemming inhield, maar een afwijzing van het voorstel van de werkgever. Pas met ondertekening van de overeenkomst op 7 oktober 2009 was er schriftelijke overeenstemming over de beëindiging. De fictieve opzegtermijn loopt daarom vanaf die datum, en het UWV handhaafde terecht het besluit dat appellante geen WW-uitkering ontvangt over de periode tot eind februari 2010.
Uitkomst: De fictieve opzegtermijn begint op 7 oktober 2009, waardoor de WW-uitkering over februari 2010 terecht is geweigerd.