ECLI:NL:CRVB:2011:BR0178
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs bijstandbehoefte
Verzoeker had op 27 februari 2007 de inventaris van zijn café verkocht en de opbrengst van ruim €118.000 op de bankrekening van het bedrijf van zijn broer laten storten. Op 25 augustus 2009 vroeg hij bijstand aan, welke het College op 14 januari 2010 afwees wegens onvoldoende bewijs dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep en tevens een verzoek om voorlopige voorziening deed. De voorzieningenrechter stelde vast dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling en dat getuigenverhoor niet nodig was.
Verzoeker stelde dat een schuld van €37.500 aan zijn broer was verrekend en dat hij €17.000 aan een derde had terugbetaald, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens. Ook was het overzicht van contante uitgaven onvoldoende inzichtelijk.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat verzoeker zijn vermogen had aangesproken en dus niet kon worden vastgesteld dat hij recht had op bijstand. Daarom werd de afwijzing van de aanvraag door het College bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.