ECLI:NL:CRVB:2011:BP3312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- O.L.H.W.I. Korte
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens niet aannemelijke schulden en overschrijding vrij te laten vermogen
Appellanten dienden een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het Dagelijks Bestuur kende bijstand toe, maar beëindigde deze met ingang van 8 juni 2007 vanwege een overschrijding van het vrij te laten vermogen, mede omdat de door appellanten opgevoerde schulden niet aannemelijk waren gemaakt.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Dagelijks Bestuur wegens onbevoegdheid, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth het besluit had genomen. Appellanten gingen in hoger beroep tegen het in stand laten van deze rechtsgevolgen en stelden dat hun schulden aan moeder en broer ten onrechte niet in aanmerking waren genomen.
De Raad oordeelde dat onder vermogen alleen die schulden mogen worden gesaldeerd waarvan het bestaan en de terugbetalingsverplichting voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Appellanten konden dit niet aantonen, onder meer door het ontbreken van bewijsstukken en tegenstrijdigheden in de opgevoerde schulden en kasopnames. Ook werden de schulden niet gemeld bij de bijstandsaanvraag.
Daarom was het Dagelijks Bestuur bevoegd de bijstand te beëindigen. Ook de na de hoorzitting overgelegde brief bood geen nieuwe grondslag. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstand werd terecht beëindigd omdat de schulden niet aannemelijk waren gemaakt en het vermogen boven de vrij te laten grens lag.