ECLI:NL:CRVB:2011:BR0589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven werkzaamheden op woensdagmarkt
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en gaf in 2007 op dat zij twee uur per week werkte voor haar broer op de woensdagmarkt. Een thematisch onderzoek door de gemeente en sociale recherche leidde tot een rapport waarin werd geconcludeerd dat zij sinds 2001 wekelijks minstens één dag werkte en daarmee het minimumloon verdiende zonder dit volledig op te geven.
Het College herzag de bijstand en vorderde €11.967,86 terug, wat bij bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank oordeelde dat appellante vanaf 2004 vijf en een half uur per week werkte en de inlichtingenplicht schond, maar gaf het College opdracht een nieuw besluit te nemen. In hoger beroep betwistte appellante de omvang van haar werkzaamheden en de schending van de inlichtingenplicht.
De Raad stelde vast dat appellante vanaf 2004 werkzaam was op de woensdagmarkt, ondersteund door verklaringen van de marktmeester en observaties. Ondanks haar betwisting achtte de Raad het aannemelijk dat zij gedurende de marktdag daadwerkelijk werkte, ook langer dan opgegeven. Het proces-verbaal van het verhoor door sociale rechercheurs werd als betrouwbaar beschouwd.
De Raad concludeerde dat aanwezigheid op de werkplek tijdens reguliere uren impliceert dat er daadwerkelijk arbeid werd verricht. Appellante maakte het tegendeel niet aannemelijk. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 19 februari 2010 werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.