ECLI:NL:CRVB:2011:BR0615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van inhouding op WW-uitkering voor terugvordering schulden UWV
Appellant kreeg een WW-uitkering die door het UWV werd herzien wegens onverschuldigde betalingen, waarna een bedrag van €170,05 per maand werd ingehouden op zijn uitkering om schulden te voldoen. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat het UWV ook rekening had moeten houden met andere schulden die bij het UWV bekend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de stukken over andere schulden pas in hoger beroep waren overgelegd en het UWV geen rekening hoefde te houden met een inmiddels afgeloste huurschuld. In hoger beroep stelde het UWV dat de andere schulden niet in aanmerking kwamen omdat er geen executoriale titel of betalingsregeling van ten minste één jaar bestond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht geen rekening hield met deze andere schulden, omdat niet was aangetoond dat deze schulden voldeden aan de voorwaarden van executoriale titel of langdurige betalingsregeling. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de inhouding van €170,05 per maand op de WW-uitkering ter voldoening van schulden van appellant.