ECLI:NL:CRVB:2011:BR0651
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van opleggen maatregel bij te late WW-uitkeringsaanvraag zonder bijzonder geval
Appellante was sinds 21 september 2004 ziek en haar tijdelijke arbeidsovereenkomst eindigde op 21 oktober 2004. Na afwijzing van haar WIA-uitkering per 19 september 2006, meldde zij zich pas op 11 januari 2008 bij het CWI voor een WW-uitkering. Het Uwv kende haar een WW-uitkering toe vanaf 19 september 2006, maar betaalde deze niet over de periode van 19 september 2006 tot 17 juli 2007 vanwege te late aanvraag en legde een korting van 20% op de uitkering over een deel van de periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat sprake was van een bijzonder geval dat het Uwv had moeten doen afzien van de maatregel. De Raad oordeelde dat het begrip bijzonder geval restrictief moet worden uitgelegd en dat de psychische klachten van appellante niet zodanig waren dat zij niet tijdig kon aanvragen. Ook was er geen medische belemmering of onduidelijkheid over haar rechten die het niet nakomen van verplichtingen rechtvaardigde.
De Raad stelde vast dat appellante haar verplichtingen om zich tijdig te melden en werkloosheid aan te geven ruim had overschreden en dat het Uwv haar juist had geïnformeerd over de aanvraagprocedure. De opgelegde maatregel was in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het Uwv terecht een maatregel oplegde wegens te late aanvraag van de WW-uitkering zonder dat sprake was van een bijzonder geval.