ECLI:NL:CRVB:2011:BR1080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante, die sinds 19 februari 2001 arbeidsongeschikt is wegens lage rugklachten en een matig ernstige depressie, kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken per 24 april 2006 omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht te zijn. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en psychiaters, werd geconcludeerd dat haar beperkingen niet waren toegenomen en dat zij over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond en kende haar een immateriële schadevergoeding toe wegens de lange duur van de procedure. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren toegenomen en dat de arbeidskundige grondslag onjuist was, met name omtrent toeslagen voor afwijkende arbeidstijden in de maatmanfunctie.
De Raad oordeelde dat het aangepaste Schattingsbesluit (aSB) het duiden van functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden toelaat, ook als deze toeslagen niet in het maatmanloon zijn begrepen, en dat dit niet in strijd is met het beginsel van feitelijke inkomensderving. De medische beperkingen zijn juist vastgesteld en de functies waarop het besluit is gebaseerd, zijn passend. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens een juiste medische en arbeidskundige grondslag.