ECLI:NL:CRVB:2011:BR1100
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding dga
Appellant richtte eind 2000 een BV op en was vanaf 1 september 2007 bestuurder. Hij sloot arbeidsovereenkomsten met deze BV, maar ondertekende deze zelf namens de BV. In 2008 werd de trust opgeheven en werd zijn zoon enig aandeelhouder. De BV werd failliet verklaard en appellant vroeg een WW-uitkering aan wegens betalingsonmacht van de BV. Het UWV kende hem een uitkering toe, maar vorderde deze later terug omdat appellant niet als verzekerd werd beschouwd vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank oordeelde dat appellant als dga niet verzekerd was voor de WW en dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel onder toezicht stond van de algemene vergadering van aandeelhouders en verantwoording moest afleggen, maar de Raad volgde de rechtbank. De Raad stelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een reële gezagsverhouding bestond.
De Centrale Raad bevestigde het oordeel dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt en dat het terugvorderingsbesluit terecht is genomen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 juli 2011.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat appellant als dga geen recht had op WW-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.