ECLI:NL:CRVB:2011:BR1101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering bij beëindiging arbeidsverhouding communautair werknemer
Appellanten, met de Belgische nationaliteit en wonend in België, ontvingen studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) omdat hun moeder als grensarbeidster in Nederland werkzaam was en zij als gezinsleden recht hadden op sociale voordelen volgens Verordening EG 1612/68.
Na beëindiging van de arbeidsverhouding van hun moeder per 1 april 2009, stelde de Minister dat appellanten geen recht meer hadden op studiefinanciering omdat de moeder niet langer als werkneemster kon worden aangemerkt. De rechtbank bevestigde dit standpunt, stellende dat studiefinanciering niet behoort tot de sociale voordelen die na beëindiging van het werknemerschap behouden blijven.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat hun moeder onvrijwillig was ontslagen, nog actief naar werk zocht, ook in Nederland, en dat zij daarom als werkneemster moest worden beschouwd. De Minister wijzigde zijn standpunt deels, maar motiveerde onvoldoende waarom niet was vastgesteld dat de moeder daadwerkelijk naar werk in Nederland zocht.
De Raad oordeelde dat de Minister de besluiten over de studiefinanciering over april en mei 2009 niet kon handhaven omdat de arbeidsverhouding toen nog voortduurde. Daarnaast stelde de Raad dat de Minister de juridische grondslag had gewijzigd zonder voldoende motivering en dat de criteria voor het beoordelen van het zoeken naar werk onduidelijk waren. De Minister werd opgedragen de besluiten binnen twaalf weken te herstellen met inachtneming van de aanwijzingen van de Raad.
Uitkomst: De Minister wordt opgedragen de besluiten over studiefinanciering te herzien en motiveren binnen twaalf weken.