ECLI:NL:CRVB:2011:BR1927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling medische beperkingen
Appellant, die sinds 1999 arbeidsongeschikt is wegens heup- en schouderklachten, kreeg zijn WAO-uitkering per 10 februari 2009 herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Tegen dit besluit maakte hij bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de uitleg van de bezwaarverzekeringsarts niet plausibel was en dat er onterecht geen beperkingen waren opgenomen voor bepaalde activiteiten zoals gebogen en getordeerd actief zijn, knielen en hurken. Ook stelde hij dat de functie perronmedewerker niet geschikt was vanwege de belasting van traplopen.
De Raad oordeelt dat het medische onderzoek en de FML niet onjuist zijn en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen extra beperkingen zijn opgenomen. Appellant heeft dit niet met objectieve medische stukken kunnen onderbouwen. Ook de bezwaren tegen de functie perronmedewerker worden verworpen omdat de belasting lager is dan de norm die in het handboek CBBS wordt gehanteerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.