ECLI:NL:CRVB:2021:2255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ongewijzigde WAO-arbeidsongeschiktheid ondanks betwisting toename klachten
Appellant ontvangt sinds 2000 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 25-35%, gebaseerd op rug- en heupklachten. Na een herbeoordeling in 2018 handhaafde het Uwv deze mate van arbeidsongeschiktheid, ondanks betwisting door appellant van toegenomen klachten aan onder meer handen, pols en bovenbeen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren toegenomen. Appellant stelde in hoger beroep dat het Uwv onvoldoende rekening hield met alle klachten en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat volgens artikel 37 WAO Pro herziening van de uitkering niet plaatsvindt indien de toename van arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan waarvoor de uitkering is toegekend. De klachten aan handen, pols en bovenbeen vallen buiten de oorspronkelijke toekenning en mogen buiten beschouwing blijven.
De Raad bevestigt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant meer beperkingen heeft dan vastgesteld. Ook zijn de voorbeeldfuncties passend en adequaat onderbouwd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant voor 25-35% arbeidsongeschikt blijft en wijst het hoger beroep af.