ECLI:NL:CRVB:2011:BR2094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellant diende op 16 september 2008 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB en gaf aan alleenstaand te zijn en in te wonen bij een kennis. Na onderzoek concludeerde het College dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met mevrouw L., waardoor de aanvraag werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betwist appellant het bestaan van wederzijdse zorg binnen de gezamenlijke huishouding en stelde dat hij de verklaring van 7 oktober 2008 niet kon begrijpen vanwege taalbarrières en het ontbreken van tolkbijstand. De Raad oordeelde echter dat appellant de verklaring had ondertekend en voldoende de Nederlandse taal beheerste, mede gezien zijn werkervaring en langdurig verblijf in Nederland.
De Raad bevestigde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarbij wederzijdse zorg bleek uit gezamenlijke huishoudelijke taken en het delen van kosten en voorzieningen. Hierdoor had appellant geen recht op bijstand als alleenstaande. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert en geen recht heeft op bijstand als alleenstaande.