ECLI:NL:CRVB:2008:BC5103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Groningen
Appellante had tot 1 april 2002 een bijstandsuitkering ontvangen en vroeg op 28 april 2006 opnieuw bijstand aan. Het College van burgemeester en wethouders van Groningen wees de aanvraag op 28 juni 2006 af omdat appellante haar hoofdverblijf niet in Groningen had. Dit was gebaseerd op een rapport en een huisbezoek waaruit bleek dat zij feitelijk verbleef in een stacaravan buiten Groningen en de woning in Groningen niet kon betrekken.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de woonplaats voor de bijstand beoordeeld wordt op basis van concrete feiten en omstandigheden in de periode van aanvraag tot het primaire besluit.
De verklaring van appellante tijdens het huisbezoek, het ontbreken van gas en elektriciteit in de woning en de aanwezigheid van opgeslagen meubilair gaven voldoende grondslag voor het oordeel dat zij geen hoofdverblijf in Groningen had. De intentie om terug te keren zodra de woning bewoonbaar is, en het feit dat zij overdag in de woning werkzaam was, deden hieraan niet af. De afwijzing van de bijstand was daarmee terecht.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen omdat appellante geen hoofdverblijf in de gemeente Groningen had.