ECLI:NL:CRVB:2011:BR3083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemeld vermogen boven vermogensgrens
Appellante ontving bijstand van 1983 tot 2006, laatstelijk op grond van de WWB. Na een onderzoek van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond bleek dat zij onroerend goed bezat en huurinkomsten genoot zonder dit te melden, waardoor haar vermogen de vrijstellingsgrens overschreed. Het College van B&W Rotterdam trok daarop de bijstand over meerdere perioden in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante de schending van haar inlichtingenplicht, met name over de eigendom van drie panden. De Raad stelde vast dat zij mede-eigenaar was van een pand sinds 1995 en eigenaar van twee panden sinds 1996, zonder dit te melden. De Raad oordeelde dat de eigendom in het Kadaster een vermoeden van beschikking over vermogen geeft en dat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat zij niet over het vermogen kon beschikken.
Verder concludeerde de Raad dat de vermeende schuld aan haar moeder geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting inhield, omdat aflossing afhankelijk was gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis en appellante het pand niet bewoonde. Hierdoor beschikte appellante gedurende de gehele periode over vermogen boven de vermogensgrens, wat een beletsel vormde voor bijstand. De Raad bevestigde het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege niet gemeld vermogen boven de vermogensgrens.