ECLI:NL:CRVB:2011:BR3326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek naar aanleiding van een tip stelde het College vast dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellante sinds maart 2008 werk had, waardoor zij in haar eigen noodzakelijke kosten kon voorzien. Het College trok de bijstand daarom in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat sprake was van een gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Appellanten voerden hoger beroep en betwistten onder meer het gezamenlijke hoofdverblijf en de gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat de rechtbank buiten de omvang van het geding was getreden door een andere wettelijke grondslag te hanteren dan het bezwaarbesluit en vernietigde het vonnis. De Raad stelde vast dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg voor elkaar droegen, wat objectief werd onderbouwd met verklaringen, getuigenverklaringen en waterverbruikgegevens.
De Raad verwierp het verweer van appellanten tegen hun eerdere verklaringen en bevestigde dat het College terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Uitkomst: De bijstand is terecht ingetrokken en teruggevorderd wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.