ECLI:NL:CRVB:2010:BO4810
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- W.F. Claessens
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellants toenmalige partner ontving vanaf 1 december 2002 een bijstandsuitkering die later werd ingetrokken wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met appellant. Het Dagelijks Bestuur stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van €46.307,82. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant en zijn partner een gezamenlijke huishouding voerden, mede gelet op het onweerlegbaar rechtsvermoeden en het feit dat zij een kind hadden.
In hoger beroep betwistte appellant het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden door een andere wettelijke grondslag te hanteren dan het bestuursorgaan. De Raad stelde vast dat appellant en zijn partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, gebaseerd op verklaringen in een zedenonderzoek en verklaringen van omwonenden.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat de verklaringen niet mochten worden gebruikt vanwege de context van het zedenonderzoek. Gezien de schending van de inlichtingenplicht door de partner was het Dagelijks Bestuur bevoegd de bijstandskosten terug te vorderen. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het Dagelijks Bestuur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Appellant is hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van ten onrechte verleende bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.