ECLI:NL:CRVB:2011:BR3474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na behandeling chronisch vermoeidheidssyndroom
Appellant ontving een Ziektewetuitkering na een diagnose van chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en kreeg zes maanden de gelegenheid cognitieve gedragstherapie te volgen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) beëindigde de uitkering per 10 november 2008, omdat appellant volgens de verzekeringsarts geschikt was voor arbeid.
Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat hij door CVS niet in staat was bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten, maar leverde geen aanvullende medische informatie ter onderbouwing. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het stellen van de diagnose CVS op zichzelf geen arbeidsongeschiktheid impliceert en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer beperkt was dan aangenomen.
De Raad bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitkering was uit coulance toegekend om therapie mogelijk te maken, en appellant was voldoende geïnformeerd over de termijn van zes maanden.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 juli 2011.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant wordt beëindigd omdat hij geschikt was voor arbeid en onvoldoende medische onderbouwing leverde voor arbeidsongeschiktheid.