ECLI:NL:CRVB:2011:BR3528

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5723 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:13 AwbArt. 2:14 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding bij elektronische bekendmaking

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat elektronisch aan hem was bekendgemaakt. De Minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat appellant op 12 augustus 2008 kenbaar heeft gemaakt elektronische verzending van berichten te accepteren. Hoewel appellant betoogde dat de keuze niet door hem was gemaakt en dat hij een ander e-mailadres gebruikte, is dit niet onderbouwd en heeft hij de Minister niet tijdig geïnformeerd over het gewijzigde e-mailadres. Hierdoor is het besluit rechtsgeldig bekendgemaakt en is de bezwaartermijn correct gestart.

Appellant voerde verschoonbaarheid aan wegens dyslexie en een aandachtsstoornis, maar de Raad volgt de rechtbank dat deze omstandigheden geen reden zijn om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Appellant had maatregelen moeten treffen om nadelige gevolgen te voorkomen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift bevestigd wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

10/5723 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 september 2010, 10/377 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 29 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde P. Stuart. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft de Minister het door appellant op 29 januari 2010 ingediende bezwaarschrift tegen het door de Minister, aan appellant elektronisch gezonden, besluit van 17 oktober 2009 in het Bericht Studiefinanciering 2009 nr. 4 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 15 februari 2010 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. In de eerste plaats heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 17 oktober 2009 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt zodat de bezwaartermijn niet is aangevangen. Volgens appellant is niet vast komen te staan dat hij de Minister te kennen heeft gegeven dat hem dat besluit elektronisch mocht worden gezonden. Subsidiair heeft hij een beroep gedaan op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.1. In artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch kan worden verzonden. Volgens artikel 2:14, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Volgens artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 3:41 in Pro samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:11 van Pro de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat appellant op 12 augustus 2008, via het aanvinken van het desbetreffende vakje op de website van de Minister, kenbaar heeft gemaakt in te stemmen met elektronische toezending van berichten van de Minister. De Raad volgt de rechtbank daarin. Appellant heeft aangevoerd dat het zeer aannemelijk is dat de keuze voor elektronische verzending van berichten niet door hem maar door de Minister is gemaakt. De Raad stelt vast deze stelling van appellant op geen enkele wijze is onderbouwd. Het resultaat van het interne onderzoek dat de Minister in de fase van het beroep bij de rechtbank heeft laten verrichten wijst erop dat appellant zelf op 12 augustus 2008 te kennen heeft gegeven berichten op elektronische wijze te willen ontvangen. Hetgeen appellant daarover heeft betoogd geeft de Raad geen aanleiding te twijfelen aan het realiteitsgehalte van dat resultaat. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij ten tijde van de ontvangst van het bericht niet meer het e-mailadres gebruikte dat hij eerder aan de Minister had opgegeven. Dat adres heeft hij nog wel aangehouden. De Raad stelt met de rechtbank vast dat appellant de Minister niet tijdig kenbaar heeft gemaakt berichten van de Minister via een ander e-mailadres te willen ontvangen. Dat heeft hij pas op 30 maart 2010 gedaan. De gevolgen hiervan zijn voor zijn risico. Nu het besluit van 17 oktober 2009 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat appellant de bezwaartermijn heeft overschreden.
4.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen omstandigheden zijn die ertoe leiden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 december 2005, LJN AU8015, heeft de rechtbank de dyslexie van appellant niet als een dergelijke omstandigheid gezien. De Raad onderschrijft dat oordeel van de rechtbank. Dat geldt eveneens voor het argument van appellant dat hij ook een aandachtsstoornis heeft, dat hij de neiging heeft zich terug te trekken uit verantwoordelijkheden en uitstelgedrag vertoont. Appellant is zich van die omstandigheden bewust. In de loop van de procedure heeft hij enkele maatregelen genoemd die hij heeft getroffen om zijn dagelijks functioneren zo optimaal mogelijk te doen zijn. De Raad stelt vast dat appellant niet heeft aangevoerd dat het hem om redenen van psychische aard volstrekt onmogelijk was adequaat te reageren op berichten van de Minister. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant eveneens maatregelen had moeten nemen om te voorkomen dat hij in het verkeer tussen de Minister en hem van de bedoelde problemen nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden.
4.4. Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet en zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) D.E.P.M. Bary.
EV