ECLI:NL:CRVB:2011:BR4086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- N.M. van Waterstoot
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwijging gezamenlijke huishouding en matiging terugvordering
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande. De Bestuurscommissie trok haar bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde een bedrag van €26.070,70 terug wegens het verzwijgen van een gezamenlijke huishouding met [D.]. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek eenzijdig en onvoldoende objectief was en dat de terugvordering onevenredig zwaar was. De Raad oordeelde dat de onderzoeksgegevens, waaronder waarnemingen en getuigenverklaringen, voldoende bewijs boden voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad stelde vast dat het zorgcriterium voor een gezamenlijke huishouding niet vereist dat zorg en kosten gelijk verdeeld zijn. Op basis van concrete feiten en verklaringen werd geconcludeerd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betrof en bepaalde dat de Bestuurscommissie een nieuw besluit moet nemen, waarbij het terugvorderingsbedrag aanzienlijk moet worden gematigd vanwege de onevenredige benadeling van appellante.
Tot slot veroordeelde de Raad de Bestuurscommissie in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd, maar de terugvordering wordt aanzienlijk gematigd en het besluit vernietigd voor zover het de terugvordering betreft.