ECLI:NL:CRVB:2011:BR4245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschriften wegens ontbreken gronden bezwaar
Appellante diende bezwaarschriften in tegen terugvorderingsbesluiten van het UWV betreffende WGA-uitkeringen. Het UWV stelde vast dat de bezwaarschriften niet aan de wettelijke vereisten voldeden omdat de gronden ontbraken en gaf appellante vier weken om dit te herstellen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van reactie het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
Appellante liet deze termijn ongebruikt voorbijgaan en verzocht pas later om uitstel, wat niet werd gehonoreerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat het UWV redelijkerwijs gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:6 Awb Pro.
De Raad benadrukte dat een bezwaarschrift, ook al is de motivering summier, wel concrete gronden moet bevatten. De stelling van appellante dat het UWV reeds op de hoogte was van de gronden wegens eerdere correspondentie, werd verworpen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bezwaarschriften worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet tijdig herstellen van dit verzuim.