ECLI:NL:CRVB:2011:BR4265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/6040 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing uitkering WIA wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel op 16 augustus 2006 uit wegens diverse klachten. Het UWV stelde bij besluit van 17 februari 2009 vast dat haar arbeidsongeschiktheid per 13 augustus 2008 minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op een WIA-uitkering bestond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder pijnklachten, spataderen, krachtsverlies, hoge bloeddruk en psychische klachten, onvoldoende in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren verwerkt. Ook stelde zij dat zij niet in staat was om functies zoals barbediende te vervullen vanwege mogelijke conflicten met klanten.

De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inbreng van diverse specialisten. De door appellante genoemde klachten waren niet onderbouwd met medische gegevens en waren niet gemeld tijdens eerdere anamnese. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de FML van 3 juli 2008 en oordeelde dat de functies passend waren. De klacht over conflicthantering in de barbedienenfunctie werd verworpen op grond van vaste jurisprudentie en deskundigenrapporten.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

09/6040 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 oktober 2009, 09/1952 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2011.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bosveld, en M. Budak als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is op 16 augustus 2006 met diverse klachten uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster bij een tuinbouwbedrijf.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, met een wijziging van de motivering van het besluit van 5 augustus 2008, vastgesteld dat voor appellante met ingang van
13 augustus 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.
2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de door appellante aangevoerde beroepsgronden, die erop neer komen dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat en dat zij, gelet op haar klachten, niet in staat was de functies te vervullen die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, uitgebreid weergegeven en besproken.
3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zij als gevolg van haar diverse medische beperkingen niet in staat was de per 13 augustus 2008 geduide functies te vervullen. Zij achtte zich beperkt per 13 augustus 2008 als gevolg van pijnklachten op de borst, nek- en schouder en voorts door lage rugklachten met uitstraling naar de benen en voeten, spataderen, krachtsverlies in de rechterarm, hoge bloeddruk met wegrakingen en psychische klachten. Ter zitting is aangegeven dat appellante ook concentratie- en geheugenstoornissen heeft. Met deze klachten is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 juli 2008 onvoldoende rekening gehouden. Meer in het bijzonder is aangegeven dat de beperking op het item “staan” te licht is. Appellante is niet in staat om 4 uur op een dag te staan gelet op de klachten aan haar benen en voeten, waaronder gezwollen enkels. Voorts is aangevoerd dat de functie van barbediende, buffetbediende, kantinebediende (sbc-code 111080) niet geschikt is voor appellante omdat in deze functie volgens appellante de (niet geringe) kans bestaat dat zij in rechtstreeks contact komt met onredelijke mensen en met deze mensen moet omgaan, wat haar belasting te boven gaat.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanknopingspunten gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Ook de Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, waarbij de informatie van de behandelend sector, van onder meer de neuroloog, huisarts, chirurg en fysiotherapeut, uitdrukkelijk in de beoordeling is betrokken. De stelling ter zitting van appellante dat zij vanwege haar been- en voetklachten, met name haar gezwollen enkels, niet in staat is gedurende 4 uur op een dag te staan, is niet nader onderbouwd met medische gegevens. Bovendien merkt de Raad op dat appellante deze claimklacht, blijkens de uitgebreide anamnese in het rapport 6 mei 2008 verzekeringsarts M.F.L. Smol, niet heeft gemeld. Het voorgaande geldt ook voor de ter zitting aangedragen concentratie- en geheugenstoornissen. Ook van deze klachten heeft appellante bij afname van de anamnese door verzekeringsarts Smol geen melding gemaakt, noch heeft zij daaromtrent medische gegevens ingebracht. De Raad is van oordeel dat in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gebracht en geen objectieve medische gegevens zijn ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals die zijn weergegeven in de FML van 3 juli 2008.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de FML, ziet de Raad geen grond om over de passendheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Voor wat betreft de grond van appellante ten aanzien van de mogelijke conflictueuze situatie in de functie van barbediende, buffetbediende, kantinebediende (sbc-code 111080), overweegt de Raad het volgende. Voor zover appellante heeft bedoeld te stellen dat de weergave van de functiebelasting in het Resultaat Functiebeoordeling onjuist is, wijst de Raad op zijn vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van 8 augustus 2006 (LJN AY6390), dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van aan het CBBS ontleende gegevens. Uit deze weergave blijkt dat in deze functie geen bijzondere belasting voorkomt op het item “omgaan met conflicten”. Mede gelet op de rapporten van 12 februari 2009 van bezwaararbeidsdeskundige H. de Rooy en van 13 juni 2011 van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de gegevens op dit punt in het CBBS en aan de geschiktheid van deze functie voor appellante.
4.3. De overwegingen 4.1 en 4.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J. Brand en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van
M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.A. van Amerongen.
RK