ECLI:NL:CRVB:2011:BR4661
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- A.J. Schaap
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling grondslag uitkering vervolgde op grond van de Wuv
Appellant, geboren in 1941, is erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en ontvangt sinds 1 september 2008 een periodieke uitkering. De grondslag van deze uitkering is vastgesteld op het minimumloon van € 1.867,87 per maand. Appellant voert aan dat deze grondslag te laag is omdat hij door oorlogsomstandigheden en psychische klachten zijn opleiding aan de HBS moest staken en daardoor niet op zijn niveau heeft kunnen functioneren.
De Raad overweegt dat uit de stukken en medische adviezen blijkt dat de psychische klachten van appellant pas in 2008 tot uiting zijn gekomen. Er is geen bewijs dat de opleiding aan de HBS is stopgezet vanwege psychische klachten, maar vanwege matige prestaties en spijbelen. Appellant heeft daarna een LTS-opleiding afgerond, een militaire opleiding gevolgd en was op jonge leeftijd sergeant instrumentmaker. Tijdens de militaire dienst tot 1968 waren er geen aanwijzingen voor psychische klachten, wat ook blijkt uit keuringen waarbij appellant psychische problemen ontkende.
Verweerder heeft daarom terecht de Regeling vaststelling grondslag jeugdige vervolgden niet toegepast. De Raad concludeert dat de grondslag van de uitkering correct is vastgesteld volgens artikel 8, vijfde lid, van de Wuv. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de grondslag van de uitkering is juist vastgesteld.