ECLI:NL:CRVB:2011:BR4701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep Minister tegen uitspraken in inburgeringszaken
De zaak betreft hoger beroepen van de Minister van Binnenlandse Zaken tegen uitspraken van rechtbanken die inburgeringsplichtige besluiten van gemeenten vernietigden. Betrokkenen voerden aan dat zij onder het associatierecht van de EU met Turkije vielen, waardoor de inburgeringsplicht niet op hen van toepassing zou zijn.
De rechtbanken oordeelden dat het opleggen van de inburgeringsplicht aan Turkse onderdanen in strijd was met gelijke behandelingsbepalingen en standstillbepalingen uit het associatierecht. De Minister stelde in hoger beroep dat deze uitspraken onjuist waren.
De Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het hoger beroep vast. Volgens artikel 18 van Pro de Beroepswet kan alleen een belanghebbende of het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen hoger beroep instellen. De Minister was niet het bestuursorgaan dat de besluiten nam en had geen aan hem toevertrouwd belang volgens de Wet inburgering.
De Raad concludeerde dat de Minister niet als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat de Wet inburgering geen bevoegdheid of belang aan hem toevertrouwt met betrekking tot de door de gemeenten genomen besluiten. Ook zijn rol als medewetgever en beleidsbepaler was onvoldoende.
Daarom verklaarde de Raad de hoger beroepen niet-ontvankelijk en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De hoger beroepen van de Minister werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toevertrouwd belang.