ECLI:NL:CRVB:2011:BR4726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- M. Greebe
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering na maximale duur ondanks onvoldoende re-integratie-inspanningen
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij de maximale uitkeringsduur van zijn WW-uitkering had bereikt. Hij stelde dat het UWV onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, waardoor de beëindiging van de uitkering niet op de vastgestelde datum had mogen plaatsvinden.
De rechtbank had geoordeeld dat het UWV correct had gehandeld volgens de wettelijke bepalingen van de WW, en dat een tekortkoming in de ondersteuning bij arbeidsinschakeling niet leidt tot een verlenging van de uitkeringsduur. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde dat het stelsel van de WW geen aanknopingspunt biedt om de wettelijke maximale uitkeringsduur te verlengen vanwege onvoldoende re-integratie.
Hoewel het UWV erkende dat het na april 2008 geen vervolg had gegeven aan het re-integratietraject door foutieve registratie van gegevens, leidde dit niet tot een andere uitkomst. De Raad concludeerde dat geen sprake was van strijd met het zorgvuldigheids- of rechtszekerheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur die een afwijking van de wettelijke regels zouden rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De maximale duur van de WW-uitkering is bereikt en de uitkering wordt beëindigd ondanks onvoldoende re-integratie-inspanningen van het UWV.