ECLI:NL:CRVB:2011:BS1132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van voldoende procesbelang bij vergoeding kniklader
Appellant, een zelfstandig melkvee- en vleesveehouder, vroeg vergoeding voor de aanschaf van een kniklader op grond van de Wet Rea. Na toekenning in 2002 ontstonden gebreken aan de kniklader, waarna appellant verzocht om vervanging. Het Uwv weigerde dit op grond van het vervallen van de Wet Rea en toepasselijk overgangsrecht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en betrok een coulancebesluit over reparatiekosten niet in de procedure.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het overgangsrecht volgens de Wet IWIA hem recht gaf op vervanging en dat het coulancebesluit wel betrokken moest worden. De Raad oordeelde dat appellant de kniklader inmiddels had laten repareren met de toegekende middelen en dat hij zijn werkzaamheden met de gerepareerde machine voortzet.
De Raad benadrukte dat procesbelang vereist dat het beroep kan leiden tot een concreet gunstiger resultaat. Appellant wilde echter een oordeel voor toekomstige gevallen, wat niet voldoende is. Daarom is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellant kan bij toekomstige noodzaak een nieuwe aanvraag indienen, waarbij het Uwv en de rechter vrij zijn in hun beoordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.