ECLI:NL:CRVB:2011:BT2456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens onvoldoende urenverantwoording
Appellant ontving vanaf 1 mei 2002 een WW-uitkering en werkte van 1 november 2003 tot 1 februari 2004 op proef bij een onderneming. Het UWV trok de WW-uitkering over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 in en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug, omdat appellant zijn werkzaamheden onvoldoende had vermeld en de verstrekte urenverantwoording onvoldoende betrouwbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had verstrekt om de omvang van zijn werkzaamheden vast te stellen. In hoger beroep overhandigde appellant alsnog een urenregistratie, maar de Raad oordeelde dat deze niet overtuigend was vanwege tegenstrijdigheden, onduidelijkheden en het ontbreken van een sluitende controle op de uren.
Verder was onduidelijk hoe de werkgever inzicht kon hebben in de feitelijke tijdsbesteding, aangezien appellant zijn werkzaamheden buiten kantoor verrichtte en geen uren bijhield. Ook was er een discrepantie tussen verklaringen van appellant en zijn moeder over een ziekenhuisopname, hetgeen de betrouwbaarheid van de urenverantwoording verder ondermijnde.
De Raad concludeerde dat de verstrekte informatie onvoldoende aanknopingspunten bood om een beredeneerde schatting van de daadwerkelijk gewerkte uren te maken. Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op WW-uitkering over genoemde periode niet kan worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WW-uitkering wegens onvoldoende en tegenstrijdige urenverantwoording.