ECLI:NL:CRVB:2011:BT2466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing overneming loon over opzegtermijn na beëindiging dienstbetrekking
Appellant was sinds 3 december 2002 in dienst bij een werkgever en werd op 18 november 2008 medegedeeld dat hij ontslagen zou worden vanwege bedrijfseconomische redenen, met een voorgestelde beëindiging per 28 november 2008. Appellant ging niet akkoord met het voorstel en bleef werken tot 28 november 2008, toen het kantoor gesloten bleek.
Na een loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter, waarbij appellant een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging werd toegekend, diende appellant een aanvraag in bij het Uwv voor overneming van loon en vakantiegeld tot en met 28 november 2008. Het Uwv kende dit toe, maar weigerde loon over de opzegtermijn over te nemen, omdat de dienstbetrekking op 28 november 2008 was geëindigd en de schadevergoeding niet als loon over de opzegtermijn werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de schadevergoeding niet binnen de in artikel 64 WW Pro genoemde termijnen viel. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de schadevergoeding wel meegenomen moest worden bij de vaststelling van het dagloon en dus ook voor overneming in aanmerking kwam.
De Raad volgde dit niet en bevestigde dat de dienstbetrekking op 28 november 2008 eindigde zonder opzegtermijn en dat de schadevergoeding op grond van artikel 7:680 BW Pro een vergoeding na het einde van de arbeidsovereenkomst betreft. Hierdoor valt deze buiten de WW-periodes voor overneming van loon. De Raad wees ook op eerdere jurisprudentie dat artikel 7:680 BW Pro geen opzegtermijn creëert, maar slechts een methode voor schadevergoeding.
De Raad bevestigde de bestreden uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de gefixeerde schadevergoeding niet als loon over de opzegtermijn kan worden overgenomen binnen hoofdstuk IV van de WW.