ECLI:NL:CRVB:2011:BT2535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herleving WW-uitkering na verblijf buitenland langer dan zes maanden
Appellant kreeg een WW-uitkering toegekend vanaf 1 april 2008. In december 2008 vertrok hij naar Suriname en meldde zich ziek vanuit het buitenland. Het UWV herzag de uitkering en vorderde onverschuldigde betalingen terug vanwege het verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie. Appellant keerde op 8 augustus 2009 terug in Nederland.
Het UWV weigerde de herleving van de WW-uitkering omdat appellant langer dan zes maanden buiten Nederland verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de termijn van zes maanden niet werd gestuit door de ziekmelding en dat appellant tijdig was geïnformeerd over de termijn.
Appellants beroep op bijzondere omstandigheden en onwetendheid werd verworpen. De doorbetaling van de WW-uitkering na het verblijf in het buitenland was onverschuldigd en de toekenning van een ZW-uitkering had geen invloed op het recht op WW. De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek tot herleving van de WW-uitkering heeft afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van herleving van de WW-uitkering wegens verblijf buitenland langer dan zes maanden.