ECLI:NL:CRVB:2011:BT2620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet verschijnen bij re-integratiebedrijf
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en had arbeidsverplichtingen. Hij tekende een arbeidsovereenkomst bij re-integratiebedrijf Apprenti maar verscheen niet op het werk, waarna hij in proeftijd werd ontslagen. Het College verlaagde daarom zijn bijstandsuitkering met 100% voor drie maanden wegens eigen toedoen.
Appellant voerde aan dat hij wel werkzaamheden had verricht en dat de verplichting tot re-integratie in strijd was met het verbod op verplichte arbeid zoals neergelegd in artikel 4 van Pro het EVRM en de ILO Conventie 29. De Raad volgde appellant niet en stelde vast dat hij nooit is verschenen bij Apprenti en dat de ILO Conventie geen ruimere bescherming biedt dan het EVRM.
De Raad bevestigde het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank Utrecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 september 2011.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende drie maanden wordt bevestigd wegens het niet verschijnen bij het re-integratiebedrijf.