ECLI:NL:CRVB:2011:BT2917

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-7043 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18, tweede lid, WWBArt. 10 Maatregelverordening inkomensvoorzieningenArt. 11 Maatregelverordening inkomensvoorzieningen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens onverantwoorde intering vermogen

Appellant diende op 31 augustus 2009 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage kende bijstand toe, maar verlaagde deze met ingang van 16 september 2009 voor de duur van een maand met 100%, omdat appellant in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag onverantwoordelijk had ingeteerd op zijn vermogen.

Appellant beschikte drie maanden voor de aanvraag nog over een bedrag van €14.032, waarmee hij ruim negen maanden in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien. Hij had echter diverse bedragen overgeboekt naar de rekening van zijn gewezen echtgenote, waaronder €8.500 die hij stelde bestemd was voor zijn kinderen, maar dit kon niet worden aangetoond met objectieve gegevens.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de verlaging ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat appellant tekortschietend heeft gehandeld in zijn verantwoordelijkheid voor zijn bestaansvoorziening en dat het College terecht een verlaging van de bijstand heeft toegepast conform de geldende verordening. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 100% voor de duur van een maand wordt bevestigd wegens onverantwoorde intering op het vermogen.

Uitspraak

10/7043 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2010, 10/1529 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is op 28 juni 2011 ter zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant heeft op 31 augustus 2009 een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 7 december 2009 heeft het College aan appellant, in aansluiting op zijn WW-uitkering, met ingang van 16 september 2009 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is met ingang van 16 september 2009 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in de periode voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag op onverantwoorde wijze heeft ingeteerd op zijn vermogen.
1.2. Bij besluit van 15 januari 2010 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College onder meer overwogen dat appellant drie maanden vóór de bijstandsaanvraag (nog) over een bedrag van € 14.032,-- beschikte en daarmee, naar de geldende interingsmaatstaf van 1,5 maal de bijstandsnorm, circa negen maanden in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien. Door de versnelde intering heeft appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de eigen bestaansvoorziening aan de dag gelegd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 januari 2010 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat voor een juiste beoordeling het bedrag van € 14.032,-- met € 5.455,-- (= vermogensgrens) dient te worden verminderd, dat van het resterende bedrag van € 8.587,-- (lees: € 8.577,--) een bedrag van € 8.500,-- afkomstig is van zijn ouders in Iran en bestemd is voor zijn kinderen die bij zijn gewezen echtgenote verblijven, dat hem dan ook niet kan worden verweten dat hij dit bedrag ten behoeve van hen heeft overgemaakt, dat dan nog slechts een bedrag van € 87,-- (lees: € 77,--) resteert, zodat niet met recht kan worden gesteld dat hij op onverantwoorde wijze op zijn middelen heeft ingeteerd en een maatregel dus niet op zijn plaats is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de toepasselijke wet- en regelgeving naar de aangevallen uitspraak wordt verwezen.
4.1. De Raad stelt voorop dat voor een goede beoordeling van het recht op bijstand ook inzicht is vereist in de financiële situatie van de betrokkene gedurende de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. De wijze van besteding van middelen in die periode kan tot afstemming van de bijstand leiden.
4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat in de periode van drie maanden voorafgaande aan de bijstandsaanvraag van appellant van zijn ING-bankrekening ([rekeningnummer]) diverse grotere bedragen zijn overgeboekt naar de bankrekening van zijn gewezen echtgenote. Zo is op 24 juni 2009 € 3.000,--, op 22 juli 2009 € 500,--, op 28 augustus 2009 €10.000,-- en op 31 augustus 2009 € 532,-- overgeschreven op haar rekening, terwijl op 24 augustus 2009 door appellant € 8.159,49 op zijn eigen rekening is gestort.
4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat geen objectieve en verifieerbare gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat de grootouders van de kinderen van appellant ten behoeve van hen een bedrag van € 8.500,-- hebben overgemaakt aan appellant. De enkele stelling dat dit bedrag, evenals de andere bedragen die door appellant zijn overgeboekt op de rekening van zijn gewezen echtgenote, bestemd was voor een voorgenomen twee maanden durende vakantie van de kinderen in Korea kan hier niet aan afdoen. Het moet er dus voor worden gehouden dat appellant in de periode voorafgaande aan zijn bijstandsaanvraag onverplicht middelen buiten zijn beschikkingsmacht heeft gebracht, waarmee hij normaal gesproken geruime tijd zelf in zijn bestaanskosten had kunnen voorzien.
4.4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant door zijn handelwijze een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan heeft betoond. Aangezien niet gezegd kan worden dat bij appellant ter zake van de versnelde intering van zijn vermogen elke verwijtbaarheid ontbreekt, was het College ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden een verlaging op de toe te kennen bijstand van appellant toe te passen. Het College is daartoe overgegaan met inachtneming van artikel 10 en Pro 11 van de gemeentelijke Maatregelverordening inkomensvoorzieningen. De wijze van toepassing van die bepalingen is door appellant niet bestreden.
4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R.L.G. Boot.
HD