ECLI:NL:CRVB:2011:BT2917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens onverantwoorde intering vermogen
Appellant diende op 31 augustus 2009 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage kende bijstand toe, maar verlaagde deze met ingang van 16 september 2009 voor de duur van een maand met 100%, omdat appellant in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag onverantwoordelijk had ingeteerd op zijn vermogen.
Appellant beschikte drie maanden voor de aanvraag nog over een bedrag van €14.032, waarmee hij ruim negen maanden in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien. Hij had echter diverse bedragen overgeboekt naar de rekening van zijn gewezen echtgenote, waaronder €8.500 die hij stelde bestemd was voor zijn kinderen, maar dit kon niet worden aangetoond met objectieve gegevens.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de verlaging ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat appellant tekortschietend heeft gehandeld in zijn verantwoordelijkheid voor zijn bestaansvoorziening en dat het College terecht een verlaging van de bijstand heeft toegepast conform de geldende verordening. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 100% voor de duur van een maand wordt bevestigd wegens onverantwoorde intering op het vermogen.