[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/5495 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 september 2011
Namens appellant heeft mr. M.N. Grootfaam, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 augustus 2011, waar partijen - zoals vooraf bericht - niet zijn verschenen.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft zich op 23 december 2008 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 5 januari 2009 heeft hij gevraagd om een voorschot. Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het College appellant een voorschot verleend van € 210,--. Appellant heeft bij zijn aanvraag opgegeven te wonen op het adres [adres 1] te [gemeente] (hierna: het adres) en dat daar niemand behalve hijzelf woont. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het College aan appellant een tweede voorschot toegekend tot een bedrag van € 765,32. Eveneens op 5 februari 2009 heeft appellant verzocht om toestemming voor verblijf in het buitenland van 10 tot en met 20 februari 2009. Nadien is nog een derde voorschot verleend.
1.2. Eerder, namelijk op 4 februari 2009, hebben ambtenaren van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna respectievelijk: de ambtenaren, de afdeling en de dienst) geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het opgegeven adres. Juist toen de ambtenaren daar aankwamen, stapte een man naar buiten. Gevraagd of hij de bewoner van dit pand was, antwoordde de man dat hij een vriend was die zojuist op bezoek was. Op de vraag of appellant thuis was, vroeg de man de ambtenaren even te wachten, zodat hij kon gaan kijken. Bij terugkomst meldde de man dat appellant niet thuis was, maar diens vriendin wel. De ambtenaren hebben daarop meegedeeld dat zij op een ander moment zouden terugkomen. Zij stelden vast dat er door de openstaande voordeur een sterke henneplucht naar buiten kwam.
1.3. Op 6 februari 2009 hebben de ambtenaren opnieuw geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het adres. Na bellen en aankloppen werd niet opgedaan. De wietlucht was nog steeds te ruiken. De ambtenaren hebben contact opgenomen met de politie en de elektriciteitsmaatschappij in verband met een vermoeden omtrent een hennepkwekerij. De elektriciteitsmaatschappij heeft een meting verricht en geen bijzonder verbruik geconstateerd. Wel is aan de ambtenaren terugbericht dat het erg druk was in de woning, juist in de periode dat appellant had opgegeven in het buitenland te verblijven. Op 24 en 25 februari 2009 hebben de ambtenaren opnieuw geprobeerd een huisbezoek te verrichten op het adres. Wederom werd niet opengedaan. De ambtenaren konden appellant ook niet bereiken op zijn mobiele telefoon.
1.4. Bij brief van 2 maart 2009 heeft één van de ambtenaren appellant opgeroepen om op 9 maart 2009 om 9.00 uur te verschijnen op kantoor van de afdeling (hierna: het kantoor). Appellant is op dat tijdstip niet verschenen. Om 12.40 uur belde appellant met ambtenaren met de mededeling dat hij nu pas doorhad dat hij om 9.00 uur een afspraak had. Daarop is een afspraak gemaakt voor 13.15 uur waarop appellant is verschenen. Aan de hand van het paspoort van appellant hebben de ambtenaren vastgesteld dat appellant van 10 tot en met 21 februari 2009 in Marokko had verbleven. Tijdens dit gesprek hebben de ambtenaren appellant geconfronteerd met hun bevindingen, namelijk dat zij appellant op het adres niet hebben aangetroffen, wel anderen, en dat het naar hennep rook. Appellant heeft daarop verklaard dat hij alleen woont op het adres, dat zijn vriendin wel eens de sleutel heeft, bijvoorbeeld als hij in Marokko is, dat hij geen hennepkwekerij heeft gehad, maar wel eens een joint rookt, en dat hij niet weet wie de man was die de ambtenaren hadden aangetroffen. Over dit laatste leek hij verbaasd.
1.5. Daarop hebben de ambtenaren aan appellant meegedeeld dat zij twijfelden aan de juistheid van de opgaven van appellant van zijn woonsituatie. Zij hebben appellant gevraagd om medewerking aan een huisbezoek, en daarbij meegedeeld dat hij daartoe niet verplicht was, maar dat weigering gevolgen kon hebben voor zijn uitkering. Appellant heeft ingestemd met een onmiddellijk te verrichten huisbezoek en het daartoe bestemde formulier ondertekend. Daarop is appellant vertrokken. Het adres is gelegen op een loopafstand van 10 minuten van het kantoor. Na 10 minuten zijn de ambtenaren ook naar dat adres vertrokken. Appellant werd op het adres niet aangetroffen, ook niet na een kwartier wachten. De ambtenaren hebben vastgesteld dat de ramen beslagen waren en dat condens naar beneden liep. Daarop zijn zij weer naar kantoor vertrokken. Bijna daar aangekomen ontvingen zij het bericht dat appellant gebeld had met het kantoor met de mededeling dat hij onderweg naar huis zijn huissleutels was verloren. Daarop is aan appellant doorgegeven dat hij toch onmiddellijk naar het adres moest gaan omdat de ambtenaren zich daar bevonden. De ambtenaren hebben appellant daar niet aangetroffen, ook niet nadat zij nog 20 minuten hadden gewacht. Op 10 maart 2009 heeft appellant een telefoongesprek gevoerd met een andere ambtenaar van de dienst. In dit gesprek heeft appellant meegedeeld dat hij nog steeds zijn sleutels niet heeft gevonden, maar dat zijn zuster een reservesleutel heeft. Hij vertelde dat hij geen zin had in huisbezoeken, omdat hij zich beledigd voelde vanwege de twijfel aan zijn woonsituatie en de vermelding van de henneplucht. Appellant heeft nadien geen contact opgenomen met de ambtenaren en ook niet verzocht om een nieuw huisbezoek.
1.6. Bij besluit van 13 maart 2009 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsverplichting bij het huisbezoek. Bij besluit van diezelfde datum heeft het College de verleende voorschotten tot een bedrag van € 1.630,32 van appellant teruggevorderd op de grond dat de voorschotten bij wijze van geldlening zijn verstrekt en terugbetaald moeten worden nu geen bijstand verleend wordt.
1.7. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 13 maart 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College onder meer overwogen dat doordat appellant zijn medewerkingsverplichting heeft geschonden, zijn recht op bijstand niet is vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 juli 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010, LJN BM0861, voorop dat de beoordelingsperiode in dit geval loopt van 23 december 2008 tot en met 13 maart 2009, zijnde de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit op die aanvraag.
4.2. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien de belanghebbende niet aan de medewerkingsverplichting voldoet is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.
4.3. Appellant betoogt dat er geen redelijke grond was om te twijfelen aan de juistheid van zijn opgave dat hij op het opgegeven adres woonde, zodat hij niet gehouden was om mee te werken aan het huisbezoek op 9 maart 2009. Er is daarom geen sprake van een schending van zijn medewerkingsverplichting.
4.4. Het College heeft erkend dat er op 4 februari 2009 geen redelijke grond bestond voor het verrichten van een huisbezoek. Er heeft evenwel op die datum geen huisbezoek plaatsgevonden, nu de woning op het adres niet is betreden. De waarneming van de geur van de lucht die uit het huis kwam en de verklaring van de bezoeker van dat adres kunnen noch in verband daarmee, noch anderszins als onrechtmatig verkregen bewijs worden bestempeld. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat het College op 9 maart 2009, met deze gegevens, de gegevens die verkregen waren bij drie volgende pogingen tot een huisbezoek waarbij appellant ook niet werd aangetroffen, de waarneming van de elektriciteitsmaatschappij, en ten slotte het niet op tijd komen van appellant op de oproep op 9 maart 2009 en de later die dag afgelegde verklaring wel een redelijke grond had om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellant dat hij op het adres woonde. Appellant was dus wel gehouden mee te werken aan het huisbezoek.
4.5. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellant deze verplichting heeft geschonden. Het betoog van appellant dat dit hem niet is toe te rekenen moet falen. Ook indien appellant zijn huissleutels was kwijtgeraakt op de korte tocht tussen het kantoor en het adres had hij gevolg moeten geven aan de opdracht toch naar het adres te gaan, bijvoorbeeld om nadere afspraken te maken omtrent het ophalen van de reservesleutel bij zijn zuster. Appellant heeft echter nadien meegedeeld niet te willen meewerken aan een huisbezoek en heeft daartoe ook geen stappen ondernomen. Nu de woon- en leefsituatie van een betrokkene van groot belang is voor vaststelling van recht op bijstand en enige grond bestond om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellant daaromtrent, heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet was vaststellen. Daarom was het College bevoegd de aanvraag af te wijzen en de verleende voorschotten terug te vorderen.
4.6. De uitoefening van die bevoegdheid wordt niet onrechtmatig, zoals appellant betoogt, door de omstandigheid dat het College appellant later zonder voorafgaand huisbezoek op het adres wel bijstand heeft verleend. Van willekeur kan reeds geen sprake zijn, omdat na de eerdere aanvraag en de pogingen tot een huisbezoek, geen vergelijkbare situatie als tijdens de eerste aanvraag bestond, bijvoorbeeld omdat appellant met hernieuwde pogingen tot een huisbezoek rekening kon houden. Bovendien heeft het College zich nadien op het standpunt gesteld dat bij de latere aanvraag ten onrechte geen nieuw huisbezoek is afgelegd.
4.7. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham.